Versoepeling ontslagrecht is niet in voordeel van arbeiders en werklozen
Door Bas de RuiterWoensdag 27 juni vond in het SER-gebouw in Den Haag de participatietop tussen regering, werkgevers en werknemers plaats. Het voornaamste onderwerp op de participatietop was het verlagen van de werkloosheid en het creëren van voldoende arbeidsplaatsen voor iedereen. De regering, bij monde van minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Donner, en de werkgevers probeerden er echter ook een versoepeling van het ontslagrecht door te krijgen.Omdat de vakbonden zich daar hevig tegen verzetten, kwam er uiteindelijk geen akkoord over versoepeling van het ontslagrecht. Over een aantal andere kwesties zijn wel afspraken gemaakt, zoals het reserveren van 1,2 miljard om tot 2011 200.000 (langdurig) werklozen aan het werk te helpen en over het creëren van permanent gesubsidieerde banen. Op het eerste gezicht zou men hierin een gedeeltelijke overwinning kunnen zien: het werd echter al vrij snel duidelijk dat bij gebrek aan een akkoord over het ontslagrecht tijdens de participatietop de regering nu zelf voorstellen gaat ontwikkelen voor de versoepeling van het ontslagrecht. Er wordt vaak gesteld dat een versoepeling van het ontslagrecht zou kunnen leiden tot een snellere doorstroming van de ene naar de andere baan en dat dit voornamelijk voor jonge werknemers een voordeel zou zijn. Dat is in principe waar, als er dan ook voldoende banen zouden zijn voor iedereen die naar een baan op zoek is. Op die manier zouden ook (langdurig) werklozen en starters op de arbeidsmarkt snel een baan kunnen vinden. De realiteit laat echter een ander beeld zien: tussen 2002 en 2006 zijn in Nederland tienduizenden – zo niet honderdduizenden – volwaardige banen verloren gegaan als gevolg van reorganisaties en outsourcing onder invloed van een economische achteruitgang. In dezelfde periode zijn de winsten van bedrijven en de salarissen van topmanagers blijven stijgen. Weliswaar werden ter vervanging van een deel van de ontslagen ook weer nieuwe banen gecreëerd, maar deze banen hadden vaak een meer flexibel karakter en kenden bovendien slechtere arbeidsvoorwaarden dan de functies waarvoor ze in de plaats waren gekomen. Dit is een aanval op de werkgelegenheid en de bestaanszekerheid van een grote groep (jonge) werknemers en werklozen. Door de versoepeling van het ontslagrecht willen regering en werkgevers dit offensief voortzetten om tot verdere kostenbesparingen te komen. Het creëren van gesubsidieerde banen, waarvoor de werkgevers bovendien een deel van het uitkeringengeld uit de werkloosheidswetkas mogen gaan gebruiken, is hier een goed voorbeeld zijn. De bedrijven kunnen door middel van goedkopere arbeidskrachten besparen op de kosten van volwaardig betaald werk en kunnen bovendien in tijden van een tegenvallende economische situatie sneller dan voorheen werknemers ontslaan. Met als gevolg dat de beoogde doorstroming en daarmee de afname van (langdurige) werkloosheid niet wordt gerealiseerd. Integendeel, het aantal werklozen onder (jonge) arbeiders zal hierdoor slechts groeien. In het verleden is een situatie als dit al eerder voorgekomen: begin jaren ’80 van de vorige eeuw werd in het akkoord van Wassenaar tussen werkgevers(organisaties), werknemers(organisaties) en de regering afgesproken dat in ruil voor het inleveren van loonruimte er extra werkgelegenheid zou worden gecreëerd. Die belofte is nooit ingelost: waarom zouden we de beloften van de regering en werkgevers nu wel geloven?Ook voor het overige belooft de aanpak van de regering richting jonge werklozen niet veel goeds. Het idee van heropvoedingskampen ten aanzien van zogenaamde “probleemjongeren” is nog steeds niet van de baan. In dezelfde week als de participatietop meende Hans de Boer, voorzitter van de sindsdien opgeheven Taskforce Jeugdwerkloosheid, op maandag 25 juni te moeten opmerken dat het voornaamste instrument om deze groep jongeren aan het werk te krijgen, is ze te laten kennismaken met orde en gezag om ze zo in het gareel en aan het werk te krijgen. Wanneer men spreekt over probleemjongeren in deze context, worden vaak allochtone jongeren bedoeld met nauwelijks of geen opleiding en daardoor ook weinig perspectief op een baan. Het is echter onjuist om, zoals De Boer en in zijn navolging ook Rouvoet doen, te beweren dat deze jongeren enkel lui zouden zijn en niet bereid om te werken of naar school te gaan. Op deze manier worden, net als bij de versoepeling van het ontslagrecht, de nadelen gelegd bij de (jonge) werklozen die in principe het liefst zouden werken of naar school zouden gaan, als ze daardoor perspectief zouden hebben op een volwaardige baan met fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden. De situatie waarin veel van deze jongeren leven, in achterstandswijken met nauwelijks tot geen voorzieningen, slecht onderhouden woningen en gering toekomstperspectief, heeft hen echter zodanig geïsoleerd dat ze terecht de conclusie hebben getrokken dat deze maatschappij hen geen kansen biedt. In plaats dat de regering zich inspant om de sociaal-economische omstandigheden waarin deze jongeren leven te verbeteren, schuift zij hen zelf volledig de schuld in de schoenen. Precies op dezelfde manier gaat de regering eigenlijk om met alle werknemers en werklozen van dit land, of ze nu jong/oud, allochtoon/autochtoon, man of vrouw zijn. Het verliezen van een baan en/of niet kunnen vinden van een (nieuwe) baan is volgens de regering de individuele verantwoordelijkheid/schuld van de werknemer/werkloze in kwestie. Tegen dit beeld dat door de regering wordt gecreëerd en de plannen die zij voorbereid tot versoepeling van het ontslagrecht kan enkel een collectief antwoord succesvol zijn. Wellicht wordt het weer eens tijd voor een tweede “oktober 2004”? (LSP heeft een zusterorganisatie in Nederland, Offensief. Hun website vind je op:
www.offensief.nl)